
Workshop "Duurzame productie en consumptie, natuurlijke hulpbronnen en biodiversiteit"
Deze workshop zal rond tien maatregelengroepen werken. Hieronder vindt u een overzicht van deze groepen, met telkens een bondige inleiding tot het onderwerp.
Duurzame productie en consumptie
- Wat is een ecologisch product?
- Eco-innovatie
- Voeding en leefmilieu
- Milieuclaims en -reclame
- Het aanbod ecologische producten vergroten
- Duurzame overheidsopdrachten
Natuurlijke hulpbronnen en biodiversiteit
- Invasieve uitheemse soorten
- Genetisch gemodificeerde organismen (GGO’s)
- Producten en handel
- Sensibilisatie en responsabilisering
DUURZAME PRODUCTIE EN CONSUMPTIE
Maatregelengroep 1: Wat is een ecologisch product?
Het begrip ‘duurzaamheid van een product’ leidt verplicht tot het rekening houden met de 3 pijlers van duurzame ontwikkelen, namelijk: het milieu, het sociale en het economische.
Bedrijven integreren in een eerste benadering de economische kosten. Het meetellen van de sociale impact impliceert de kwantificering van specifieke criteria die met name gebaseerd zijn op de regels van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) en opgenomen zijn in de evaluatiemethodologieën (SA 8000, het Belgische sociale label, de indicatorenlijst van het GRI, …).
De integratie van de sociale aspecten stelt twee problemen:
- De evaluatiemethoden van deze criteria zijn relatief zwaar en duur in die zin dat ze doorheen de hele productieketen externe audits vereisen.
- De weging van deze criteria in verhouding tot de impact op het milieu is verre van evident. Wat moet men een consument aanraden die een duurzame keuze wenst te maken tussen een fair-trade product dat van ver komt en een lokaal bioproduct? Het naast elkaar plaatsen van informatie over het milieu en sociale informatie impliceert een subjectieve weging door de consument die niet noodzakelijk de beste is voor de planeet.
In het licht van deze moeilijkheden zullen de discussies focussen op de milieu-aspecten maar gezondheid zal daarbij niet vergeten worden (zie maatregelengroep 3 ‘voeding en milieu’ hieronder).
Ecologische consumptie betekent niet noodzakelijk dat een product door een alternatief product wordt vervangen: behoeftebevrediging kan via diensten (reparatie, huur, ruil, …) of zelfs via dematerialisatie (kraantjeswater, waslijn in plaats van droogkast, …) gebeuren. De maatregelengroep zal dus belast worden met het identificeren van de verschillende definitieniveaus van ecologische consumptie en ecologische producten en dat in functie van de verschillende overwogen maatregelen.
Maatregelengroep 2: Eco-innovatie
De EU benadrukt dat eco-innovatie op het gebied van rationeel energiegebruik en milieubescherming en volksgezondheid geen rem betekent. Eco-innovatie stimuleert de economie om de ‘sociaal-economische’ doelstellingen zoals groei, concurrentievermogen, tewerkstelling en budgettair evenwicht te behalen.
De Europese Commissie kondigt in deze optiek een ‘duurzaam industriebeleid’ aan met als doelstelling het ‘omvormen van eventuele uitdagingen in kansen voor de Europese industrie om te leiden tot een overgang naar een gedematerialiseerde economie, koolstofarm en efficiënt op het gebied van de hulpbronnen'.
Zo bevordert ecologische innovatie tegelijkertijd het loskoppelen van ‘groei’ en ‘hulpmiddelen’ en wordt het concurrentievermogen versterkt, dat op termijn borg staat voor een rijpere en meer verantwoorde economie.
België zal op basis van dit model een gecoördineerd globaal beleid ontwikkelen en financieren. Maatregelengroep 2 wil de basis van dit beleid helpen leggen.
Maatregelengroep 3: Voeding en leefmilieu
Tegelijkertijd ondergaan ook onze consumptiepatronen inzake voeding grondige wijzigingen onder invloed van economische en sociaal-demografische veranderingen in onze samenleving. Met name verandering van gezinsstructuur en van leef- en werkpatronen hebben onze consumptiepatronen in meerdere of mindere mate beïnvloed:
- stijgende bevolkingsdichtheid, plattelandsvlucht en verstedelijking
- stijgend inkomen, hogere welvaart en lage voedselprijzen (lager aandeel van voeding t.o.v. het inkomen)
- ruim internationaal productaanbod en toenemende vleesconsumptie
- de opkomst van buitenshuis werkende tweeverdieners, flexibele werkuren
- minder tijd om te koken en minder kook- en huishoudervaring
- intensifiëring van de consumptiemaatschappij
- vergrijzing, toename eenoudergezinnen, …
Deze veranderingen gaan in grote mate voorbij aan de ecologische aspecten. Hierdoor is er een negatieve ontwikkeling van de impact op het milieu geweest. In onze verstedelijkte maatschappij worden zeer veel levensmiddelen op voorhand aangekocht. Om reden van bederf maakt dit verpakking en conservering noodzakelijk.
Daarenboven is er een stijgend aanbod aan producten met een hoge toegevoegde waarde (gebruiksgemak: bv. voorgesneden sla). Hierdoor zijn er vele energie-intensieve producten op de markt die eveneens zorgen voor een grote hoeveelheid verpakkingsmateriaal.
Ondanks het feit dat 13 % van de wereldbevolking aan ondervoeding lijdt wordt er geschat dat een kwart van de wereldvoedselproductie wordt weggegooid. Dit is een sociaal onaanvaardbare situatie. Deze voedselverspilling vormt niet alleen een afvalprobleem, er is een nog veel grotere indirecte negatieve invloed op het milieu daar alle voorafgaandelijke - vervuilende – stappen in de voedingsketen nutteloos en voor niks zijn geweest. Verder is het verspillen van voeding een verspilling van financiële middelen met negatieve effecten voor de consument.
Onze wijzigende voedingsgewoonten hebben ook negatieve invloeden op onze gezondheid. Een onevenwichtige voeding (weinig vezelrijk, teveel suiker, vet, zout, te weinig groenten en fruit, te veel vleesproducten, te weinig complexe koolhydraten…), kan immers bepaalde welvaartsziekten in de hand werken zoals diabetes, hypercholesterolemie, hoge bloeddruk, hart- en vaatziekten en bepaalde kankers (bron: “Nationaal Voedings- en Gezondheidsplan” zie www.mijnvoedingsplan.be).
De verschuiving naar een dieet met meer vlees brengt bovendien een hogere milieu-impact met zich mee door de hoge milieudruk van vleesproductie, te wijten aan de methaan- en NOx-emissies uit mest en landgebruik voor veevoederproductie.
De maatregelen hieronder hebben tot doel de zeer diverse milieudrukken ten gevolge van de niet duurzame consumptie en productie patronen inzake voeding te identificeren, kwantificeren en verlichten, rekening houdende met de sociale en economische pijler van een duurzame strategie. Speciale aandacht moet hierbij gaan naar meer gezonde consumptiepatronen.
Maatregelengroep 4: Milieuclaims en -reclame
Er wordt heel wat kritiek geuit op reclame en de constante druk die ze op de consument zou uitoefenen.
Reclame kan promotie voeren voor producten of gedragspatronen die een negatieve impact op het milieu uitoefenen (vb.: de promotie van wegwerponderhoudsproducten, van zeer vervuilende voertuigen, van airco’s, van pesticiden, enz.). Zo kan reclame:
- milieu- of ethische argumenten ten onrechte gebruiken en de consument misleiden ('green washing') - zie hieronder.
- een van de elementen zijn die tot consumptie of zelfs overconsumptie aanzet door individuele waarden gebaseerd op bezit en onmiddellijk genot over te brengen.
- bijdragen aan het toekennen van een grotere waarde aan materiële overvloed en hulpbronnenverslindende consumptiepatronen.
Maatregelengroep 4 zal met name de volgende voorstellen bespreken:
- Moet de reclamecode worden gewijzigd ?
- Voertuigen en reclame: een duivelse combinatie ?
- Hoe kan de informatie verbeteren over de energiekost van energieverbruikende producten ?
- Kan reclame ten dienste staan van duurzame ontwikkeling ?
- Welke milieu-informatie moet er op producten staan ?
Maatregelengroep 5: Het aanbod ecologische producten vergroten
Distributiebedrijven hebben een bijzondere rol te spelen in de ontwikkeling van duurzame consumptie. Ze zijn, net zoals alle bedrijven, gevoelig voor dezelfde signalen als producerende ondernemingen, maar het bijzondere aan hen is dat ze de interface vormen tussen de producenten en de consumenten.
In dat opzicht kunnen ze dus tegelijk het voorbeeld geven door de keuze van het aanbod aan ecologische producten en een informerende en communicatieve rol vervullen ten overstaan van het grote publiek. De reclameborden van de grootdistributie verwelkomen elke dag miljoenen consumenten in de winkels. Informatie in de verkooppunten maakt het dus mogelijk om een zeer groot en divers publiek te bereiken.De grootdistributie kan bovendien als groot-inkoper voor zijn eigen merken invloed uitoefenen.
De drie gewesten en de federale staat hebben de laatste jaren verschillende acties gevoerd met de distributiesector. Daarbij lag het accent op verschillende bezorgdheden in functie van ieders beleidsprioriteiten (afvalpreventie, voeding, schoolgerief, de promotie van producten met een ecolabel, enz.).
Maatregelengroep 5 zal met name de volgende concrete maatregelen bespreken:
- de verruiming en diversificatie van het aanbod aan ecologische en fair-trade producten (vb.: eigen eco-merk, producten kiezen op basis van milieucriteria)
- de consument beter de weg wijzen naar ecologische producten (bv. product placement in de rekken, specifieke etiketten, informatieborden, enz.)
- de consument beter informeren over de milieu-impact van de producten (proefproject voor een nader te bepalen groep producten)
- een vergroting van het aanbod aan FSC-gelabelde houtproducten, in het bijzonder bij de grote merken van doe-het-zelfproducten;
- op verkoopgebied, het aandeel vergroten van de producten die aan bepaalde criteria voor duurzame voeding voldoen (in samenwerking met de maatregelengroep 'duurzame voeding');
- de hoeveelheid verpakkingen terugdringen en zorgen voor een betere recyclage ervan
Maatregelengroep 6: Duurzame aanbestedingen
Overheden kunnen een belangrijke rol spelen in de bevordering van een meer duurzame productie en consumptie. Als ‘klant’ en ‘consument’ koopt de overheid immers diverse producten en diensten aan op de markt. Zij kan ervoor kiezen om hierbij invulling te geven aan hun maatschappelijke verantwoordelijkheid en aldus ook duurzaam aan te kopen.
Hierbij spelen niet enkel economische overwegingen een rol, maar laat men ook milieubeschouwingen en sociale en ethische overwegingen meespelen. Als verantwoorde consument kan de overheid een voorbeeld zijn voor ondernemingen, andere organisaties en voor individuele consumenten. Anderzijds kunnen duurzame overheidsaankopen ook een hefboomeffect hebben.
Overheidsopdrachten maken in België ongeveer 12,7% van het Bruto Binnenlands Product uit. Een niet onbelangrijk instrument dus wanneer dit op een intelligente manier wordt aangewend om zo de algemene productie en consumptie te verduurzamen.
Ook internationaal gezien maakt verduurzaming van overheidsopdrachten een grote opgang.
Diverse internationale instanties hebben hier reeds acties ondernomen en roepen nationale en regionale overheden op dit verder te ontwikkelen en in praktijk te brengen. Zowel in Agenda 21 als in het Implementatieplan van de VN-Wereldtop over Duurzame Ontwikkeling in Johannesburg in 2002 worden overheden aangemoedigd om hun rol op te nemen in het verduurzamen van productie en consumptie via hun eigen aankoopbeleid. Ook de OESO bracht hierover reeds aanbevelingen uit en op Europees vlak verzocht de Europese Commissie in haar mededeling inzake geïntegreerd productbeleid (COM (2003) 302 def) de lidstaten voor 2006 actieplannen te ontwikkelen om het aankoopbeleid vergroenen.
De Europese Commissie voorziet tevens in de eerste helft van 2008 een mededeling over Green Public Procurement waarin ook doelstellingen voor de lidstaten naar voor zullen worden geschoven. Wat betreft de federale overheden zou het gaan over 30% groene aankopen tegen 2010 en 50% tegen 2015; voor de lokale administraties zou het aandeel 20% tegen 2010 en 50% tegen 2015 moeten bedragen.
Er lopen bovendien verschillende programma’s (o.a. Equal-projecten) rond de integratie van sociale aspecten in overheidsopdrachten, terwijl Eurocities - een vereniging die de meeste grotere steden in Europa verenigt - initiatieven neemt rond duurzame overheidsaankopen, met inbegrip van sociale aspecten.
Op Belgisch niveau is er tenslotte (o.a. in uitvoering van de mededeling van de Europese Commissie inzake geïntegreerd productbeleid) een actieplan m.b.t. duurzame overheidsaankopen in voorbereiding. Zowel op federaal als op regionaal vlak worden verschillende initiatieven genomen en ontwikkeld die de verduurzaming (zowel op milieu als sociaal vlak) van overheidsaankopen ondersteunen en bevorderen. Het op elkaar afstemmen van deze diverse initiatieven zou dan ook een belangrijke meerwaarde kunnen betekenen voor de verduurzaming van alle overheidsaankopen op de diverse niveaus (zowel lokaal, provinciaal, regionaal, federaal, e.a.).
NATUURLIJKE RIJKDOMMEN EN BIODIVERSITEIT
RESOOURCES NATURELLES ET BIODIVERSITE
Maatregelengroep 7: Invasieve uitheemse soorten
Slechts enkele geïntroduceerde uitheemse soorten hebben een invasief karakter dat schade veroorzaakt aan het milieu of de volksgezondheid aantast. Ze worden meestal bewust geïntroduceerd voor gebruik in de landbouw, tuinbouw, visteelt, jacht, enz.
De gewesten zijn verantwoordelijk voor de instandhouding van de natuur en dus voor het beheer van de populaties invasieve uitheemse soorten. Tegelijk beschikt de federale staat over belangrijke hefbomen om de invoer van risicosoorten in België te voorkomen, door hun invoer en verhandeling te reglementeren.
Het is ook het federale niveau dat uit naam van België verantwoordelijk is voor het verzekeren van de bescherming en de instandhouding van levende wezens, zowel in het nationale mariene gebied als in internationale wateren. Antarctica is in dat opzicht de plaats bij uitstek voor internationale samenwerking: België heeft er vanaf het begin een belangrijke rol gespeeld en treedt sedert enkele jaren terug op de voorgrond, zowel op wetenschappelijk als op politiek gebied.
Maatregelengroep 8: Genetisch gemodificeerde organismen (GGO’s)
Genetisch gemodificeerde organismen (GGO’s) zijn, sinds ze een tiental jaar geleden op de markt verschenen, altijd een onderwerp van discussie geweest. De discussies gaan zowel over de mogelijke risico’s voor het milieu en de volksgezondheid, als over socio-economische kwesties.
De Europese Unie onderscheidt zich doordat ze het meest doorgedreven evaluatiesysteem ter wereld heeft ontwikkeld, dat zich baseert op het voorzorgprincipe. Nochtans wordt deze evaluatieprocedure zowel binnen de EU als op internationaal niveau regelmatig bekritiseerd. De Wereldhandelsorganisatie (WTO) betreurt de traagheid waarmee het vergunningsproces voor GGO’s verloopt. De organisatie beweert eveneens dat de internationale handel in voedingsgrondstoffen verstoord wordt door de ongelijkheid in de vergunningen aan de beide kanten van de Atlantische Oceaan. In de VSA geproduceerde GGO’s krijgen bijvoorbeeld niet altijd een vergunning in de EU.
Het gebruik van GGO’s leidt ten slotte ook tot discussies van maatschappelijke aard: de keuze van de productiemethoden, de vrije keuze van de consument, productieomstandigheden in GGO-producerende landen, enz.
De GGO-wetgeving is een Europese wetgeving en voorziet met name vergunningsprocedures, principes voor risico-evaluatie en voorwaarden voor de etikettering. De sociaal-economische aspecten komen echter niet aan bod.
In België stelt het samenwerkingsakkoord van 25 april 1997 tussen de federale staat en de gewesten betreffende de administratieve en wetenschappelijke coördinatie inzake bioveiligheid een gemeenschappelijk systeem op voor wetenschappelijke evaluatie. De federale ministers voor leefmilieu, volksgezondheid en landbouw zijn bevoegd voor het in de handel brengen van GGO’s, de gewesten zijn bevoegd voor het naast-elkaar-bestaan van GGO’s en conventionele en biologische gewassen.
In Frankrijk vinden er momenteel debatten plaats in het kader van een wetsontwerp aangaande GGO's dat voorziet in een sociaal, economisch en ethisch comité naast een 'Haute Instance' (hoge instantie) die belast wordt met de wetenschappelijke risico-evaluatie.
Als men al deze elementen in overweging neemt, zal de discussie handelen over het belang en de opportuniteit om het huidige Belgische evaluatiesysteem voor GGO’s te herzien zodat men tegemoet komt aan de verwachtingen van de verschillende betrokken actoren.
Maatregelengroep 9: Producten en handel
Genetische bronnen (plantaardige, dierlijke, microbiologische) worden tegenwoordig steeds waardevoller. Ze dienen als basis voor de ontwikkeling van producten in de landbouw, bosbouw, biotechnologie, voor farmaceutische producten, tuinbouw en cosmetica.
Wereldwijd baseren ondernemingen zich op genetische bronnen en de voorouderlijke kennis van inheemse en lokale bevolkingsgroepen om nieuwe producten te ontwikkelen. Laboratoriumonderzoeken kunnen op termijn ten goede komen aan de hele wereldbevolking (bv. voor de ontwikkeling van geneesmiddelen of vaccins). Nochtans worden die onderzoeken voornamelijk uitgevoerd in het vooruitzicht van financiële opbrengsten en stellen ondernemingen hun investeringen veilig door hun kennis en ontdekkingen zo snel mogelijk te beschermen.
Maatregelengroep 9 zal trachten om onderlinge overeenstemming te bereiken over Europese en internationale mechanismen die de uiteenlopende belangen kunnen verzoenen.
Maatregelengroep 10: Sensibilisatie en responsabilisering
Op het vlak van de biodiversiteit werden verschillende communicatie-initiatieven ontplooid: de administraties en wetenschappelijke instituten, en de ngo’s investeren veel in de publicatie van folders, artikelen, reportages, enz.. Het gerealiseerde werk is nochtans fragmentarisch en weinig complementair. Het is van cruciaal belang om zowel de nieuwe als de traditionele media te gebruiken om de sensibisatie inzake biodiversiteit te verhogen.
Gezien de grote invloed die commerciële en industriële activiteiten op de biodiversiteit uitoefenen, is het eveneens van cruciaal belang om de actoren en de belangrijkste ontvangende partijen èn de privé-sector daarbij te betrekken. Bedrijven kunnen in het kader van hun activiteiten namelijk een rechtstreekse of onrechtstreekse impact hebben op de biodiversiteit: via het gebruik van hulpbronnen, de productie van producten, hun consumptie, het beheer van hun terreinen, enz.
Om de sensibilisatie-initiatieven te ondersteunen, is het noodzakelijk dat men de kennis en het begrip van biodiversiteit in België identificeert, bewaakt en verbetert. Verschillende federale en gewestelijke onderzoeksinstituten spelen een belangrijke rol bij de sensibilisatie van het publiek. Het Belgian biodiversity platform (adviesorgaan van het federale wetenschapsbeleid voor alles wat te maken heeft met het onderzoek naar de biodiversiteit) wil de dialoog, de samenwerking en het interdisciplinaire onderzoek vergemakkelijken tussen mensen en instituten die in België en in het buitenland rond biodiversiteit werken.
Ook voor de Belgische ontwikkelingssamenwerking is een belangrijke rol weggelegd. Biodiversiteit speelt immers een belangrijke rol bij het garanderen dat de Millenium-ontwikkelingsdoelstellingen met betrekking tot duurzame ontwikkeling met succes gehaald worden. België heeft interregionale en bilaterale samenwerkingsverbanden uitgebouwd met landen in de onmiddellijke geografische omgeving, met het oog op een geïntegreerd beheer van grensoverschrijdende ecosystemen: zo is de Belgische ontwikkelingssamenwerking betrokken bij de voorbereiding van een FLEGT voluntary partnership agreement (VPA) in DRC ter bestrijding van illegale houtkap en de hieraan verbonden illegale handel. Deze FLEGT-ervaring, in het bijzonder met betrekking tot het uitklaren van eigendomsrechten, kan nuttig zijn bij het ontwikkelen van benaderingen voor het reduceren van emissies ten gevolge van ontbossing en bosdegradatie (REDD). Onder meer langs deze weg is de ontwikkelingssamenwerking ook rechtstreeks betrokken in de strijd tegen de klimaatverandering.


RSS onderwerpen
