
Duurzame productie en consumptie, natuurlijke hulpbronnen en biodiversiteit
Onze huidige productie- en consumptiewijzen brengen onze toekomst in gevaar. Ze zijn verantwoordelijk voor de uitputting van onze natuurlijke hulpbronnen en de achteruitgang van de biodiversiteit, de basis van het leven op aarde en van onze sociale en economische activiteiten. Met als gevolg een sociale ongelijkheid in een situatie van versnelde en onomkeerbare degradatie, vernieling en uitputting.
De biodiversiteit omvat:
- alle levende soorten (planten, dieren, paddenstoelen, micro-organismen en natuurlijk ook de mens)
- hun genen (die borg staan voor verscheidenheid tussen de soorten)
- hun ecosystemen (de manier waarop levende organismen in interactie treden met hun leefmilieu, zoals in wouden, woestijnen, waterrijke gebieden, koraalriffen, enz.).
In België wordt het aantal diersoorten geschat op 35.000. Twee derden van deze diersoorten werden reeds geïnventariseerd. Onze flora zou in totaal zo’n 18.500 plantensoorten tellen (waarvan er 13.500 beschreven zijn).
Om dit te verhelpen, moeten we produceren en verbruiken op een wijze die tegelijk duurzaam (zonder de toekomst van de toekomstige generaties in het gedrang te brengen) en billijk is (met eerbied voor iedereen). Het stimuleren van onze productie- en consumptiewijzen door deze duurzaam te maken moet in het beleid de voorrang krijgen.
Inderdaad, tijdens de hele levenscyclus van een product (vanaf de ontginning van de grondstoffen, via de vervaardiging en de assemblage, de distributie, het verbruik en tenslotte de recyclage of de verwijdering van het product) kan er een impact op het leefmilieu zijn (onder de vorm van luchtvervuiling, de uitstoot van broeikasgassen, de uitputting van niet hernieuwbare bronnen, schade aan ecosystemen, enz.). De productie en de distributie van de producten kunnen eveneens een negatieve weerslag hebben, zowel op sociaal vlak (eerbied voor de mensenrechten en voor arbeid, tewerkstelling, mijnontginning om oorlogen te financieren, enz.) als op economisch vlak (eerlijke handel, prijsvastlegging, prijs / kwaliteit-verhouding, betrouwbaarheid, enz.).
De soorten en de hulpbronnen worden niet duurzaam beschermd en niet duurzaam gebruikt. De mondialisering heeft de druk van de internationale handel op de soorten, die meer en meer met uitsterven bedreigd worden, doen toenemen. Bovendien leidt de mode van de exotische soorten tot ernstige problemen want sommige van deze soorten koloniseren onze ecosystemen op een agressieve wijze en vormen een bijkomende bedreiging voor onze inheemse habitats en soorten.
In België, net zoals in andere geïndustrialiseerde landen, is er op dit ogenblik een proces van individualisering van de maatschappij aan de gang. Dit proces brengt een diversificatie met zich mee van de levensvormen binnen de maatschappij en ligt aan de basis van nieuwe niet duurzame consumptiewijzen: een verhoging van het aantal privéwoningen, privéwagens, draagbare telefoontoestellen, voedingsproducten die in individuele verpakkingen beschikbaar worden, enz. De vergrijzing draagt eveneens bij tot de wijziging van consumptiewijzen, bv. op het vlak van de vrijetijdsbesteding of op dat van de specifieke zorg voor ouderen.
Door de globalisering en het toenemend belang van de tertiaire sector zijn de productiewijzen de recentste 40 jaar grondig omgevormd. De ontwikkeling van de informatie- en communicatie-technologieën hebben het mogelijk gemaakt de productiviteit van de productiefactoren te verbeteren (arbeid, grondstoffen en fysiek kapitaal) en de levensstandaard te verhogen. De economie veroorzaakt evenwel meer en meer druk op het gebruik van de energiegrondstoffen en de andere grondstoffen. En ze brengt risico’s met zich mee voor de natuurlijke hulpbronnen en de biologische verscheidenheid, verbonden aan het storten van toxisch afval, en risico’s voor de gezondheid van de arbeiders die blootgesteld worden aan bepaalde scheikundige stoffen.
De veranderingen qua biodiversiteit waren tijdens de laatste 50 jaar sneller dan tijdens eender welke andere periode van de menselijke geschiedenis.
Op het Belgisch grondgebied zijn de populaties van bepaalde soorten fel aan het afnemen en kunnen plaatselijk zelfs verdwijnen. Zorgwekkend is ook de evolutie van het percentage van commerciële vissoorten in de Noordzee en in de aangrenzende wateren, waarvan de stocks binnen de voorzorgswaarden vallen (referentiewaarden die als doel hebben een duurzame exploitatie van de visvoorraden te waarborgen).
De biodiversiteit vormt een ingewikkeld netwerk dat voor onze planeet natuurlijke functies verzekert die even onontbeerlijk zijn als de productie van zuurstof of de waterzuivering. Biodiversiteit verschaft de mens bovendien talrijke diensten. Denk bv. maar aan onze voeding, geneesmiddelen, grondstoffen,… Het verlies aan biologische verscheidenheid is verontrustend want die speelt een wezenlijke rol in de sociale en economische ontwikkeling. Inderdaad, 40% van de wereldeconomie steunt op biologische producten en processen, en 60% van de kankerbestrijdende en infectiewerende middelen die in 1989 en 1995 werden ontwikkeld, waren van natuurlijke oorsprong.
Vandaag de dag wegen er vijf grote dreigingen op de biodiversiteit:
- de klimaatverandering
- de vervuiling, waaronder watervervuiling door meststoffen en pesticiden
- de fragmentatie van de habitats (leefgebieden van soorten)
- de overexploitatie en overconsumptie (bv. overbevissing)
- de opmars van exotische soorten
Al deze dreigingen spruiten voort uit menselijke activiteiten en tasten de ecosystemen danig aan. Er dient dus op deze vijf fronten te worden opgetreden om de integriteit van de ecosystemen te behouden en zo de biologische diversiteit te behouden.
Dit behoud van de biodiversiteit is veel ruimer dan alleen maar natuurbescherming en -behoud. Het betekent ook dat we onze ecosystemen duurzaam moeten gebruiken en een billijke verdeling moeten verzekeren van de voordelen en opbrengsten die uit de exploitatie van natuurlijke hulpbronnen worden gehaald. Deze drie doelstellingen werden opgenomen in de Biodiversiteitsverdrag van Rio. Het is een internationaal referentie-instrument op het vlak van de biodiversiteit.
Hoe kunnen we het gedrag wijzigen van alle actoren van de maatschappij die op een of andere manier betrokken zijn bij het geheel van het proces (industriëlen, distributeurs, verbruikers, overheden)? Hoe dienen wij op te treden, zowel op het vlak van het aanbod als op het vlak van de vraag? Er werden drie prioritaire sectoren geïdentificeerd. Het betreft het vervoer (dat aan bod komt in de mobiliteitsworkshop), de leefwereld (in brede zin, met inbegrip van de producten die aangewend worden ter verwarming, renovatie, onderhoud van zijn woning, enz) en de voeding.
Om een antwoord te bieden op deze uitdagingen, kunnen er verschillende beleidsinstrumenten worden aangewend:
- Juridische instrumenten zoals productnormen: deze instrumenten hebben een dwingend effect om op korte termijn een actie te ondernemen op het vlak van prioritaire kwesties. Het betreft toepassingsbesluiten die bv. verband houden met het maximale gehalte van bepaalde scheikundige bestanddelen in verf.
- Economische instrumenten: deze instrumenten sporen nu eens aan, dan weer zijn ze opgelegd. Het betreft rechtstreekse fiscaliteit (een belastingvermindering voor investeringen in energiebesparende maatregelen) of onrechtstreekse fiscaliteit (ecotaks, accijnzen, BTW…), premies en subsidies.
- 'Socio-culturele’ instrumenten. Deze instrumenten werken op langere termijn door een vrijwillige aanpak aan te moedigen. Hieronder verstaan we bv. labels, milieuvriendelijke reclame en etikettering, sectorakkoorden (leefmilieuovereenkomsten tussen de industrie en de regering), openbare aanbestedingen die in overeenstemming met de criteria voor ‘ecologisch verantwoord verbruik’ gebeuren, enz. En uiteraard ook educatieve en sensibiliserende acties voor de bescherming van het leefmilieu en voor een duurzame ontwikkeling.
De politieke verbintenissen van Johannesburg in 2002
De doelstelling "het verlies aan diversiteit tegen 2010 gevoelig verminderen” werd aanvaard door de wereldleiders tijdens de wereldtop over duurzame ontwikkeling die in 2002 in Johannesburg werd georganiseerd. Op Europees niveau gaat de Unie veel verder dan dat. Zij heeft er zich (in haar 6de milieuactieprogramma) toe verbonden de “achteruitgang van de biodiversiteit in Europa tegen 2010 een halt toe te roepen”.
Om zijn internationale verbintenissen na te leven heeft ons land op zijn beurt een Nationale strategie inzake biodiversiteit uitgewerkt, opgesteld door de voornaamste actoren van de biodiversiteit en aangenomen op 26 oktober 2006. Dit document groepeert de doelstellingen en acties die voorzien zijn tussen de overheden op de verschillende niveaus: federaal, gewestelijk en gemeenschappelijk, met eerbied voor de zelfstandigheid en de bevoegdheidsverdeling. Deze Strategie identificeert vijftien doelstellingen. Voor elke doelstelling worden er operationele doelstellingen beschreven die bestemd zijn om de realisatie ervan te begeleiden.
Wie is er door de nationale strategie op het gebied van biodiversiteit betrokken? De gewestelijke, federale en lokale overheden, de gemeenschappen, de adviesorganen, onderzoekscentra, NGO’s, de privésector, informatiecentra, burgers, enz. In werkelijkheid draagt de maatschappij als geheel een verantwoordelijkheid voor de biodiversiteit.
Het thema van de veranderingen in de productie- en consumptiewijzen is ook ruim opgenomen in de internationale kalender. Tijdens de top over duurzame ontwikkeling in Johannesburg (2002) werd er een implementatieplan ontwikkeld. Het derde hoofdstuk hiervan is volledig gewijd aan duurzame productie en duurzaam gebruik. Er werd onder meer overeengekomen op 10 jaar een kaderprogramma te ontwikkelen dat verband houdt met duurzame productie- en consumptiewijzen.
De inhoud van dit kaderprogramma wordt ontwikkeld tijdens het zogeheten Marrakechproces (sedert 2003 zowel financieel als op menselijk vlak ondersteund door België), onder de leiding van het UNEP (leefmilieuprogramma van de Verenigde Naties) en van UNDESA (Departement economische en sociale zaken van de Verenigde Naties). Dit programma ontwikkelt een dynamiek, zowel op wereldvlak als op regionaal vlak (binnen Europa zowel als in andere regio’s van de wereld).
In 2010-2011 zal het thema van duurzame productie- en consumptiewijzen eveneens op de agenda staan van de Commissie voor Duurzame Ontwikkeling (CSD) van de Verenigde Naties. Tenslotte speelt deze thematiek een belangrijke rol in de nieuwe Europese strategie voor duurzame ontwikkeling. Van haar kant bereidt Europa een specifiek actieplan voor dat verwacht wordt tegen het einde van het eerste semester 2008.


RSS onderwerpen